Donderdag 27 juni 2016 | 9.00 uur. Tijdens mijn ochtendwandeling bewandel ik telkens een stukje van de Rutland Round, een openbare wandelweg die het hele graafschap Rutland omsluit. Als ik de wandelweg, die hier bestaat uit een ruim twee meter breed gemaaide wandelstrook, opstap kom ik tot mijn verbazing een traag rijdende kleine 4×4-wagen tegen. Er zitten twee oudere mensen in. Een man zit links in de passagierszetel. Een vrouw zit aan het stuur. De man draait het portierraampje open en begroet me vriendelijk. “Waar wandel je naartoe?” vraagt hij. “Naar Market Overton”, zeg ik meteen. “We zullen nu voor rijden”, oppert hij. Het is dezelfde wagen die eergisteren traag achter me aan reed terwijl ik hetzelfde stuk wandelweg aandeed. Die route geeft een mooi uitzicht over de vallei met het dorp waar ik woon op een heuvel in de verte. “Ga je gang”, zeg ik gracieus en kijk even naar de vrouw, die ik van ergens meen te kennen. Toegegeven, ik ben niet zo goed in het herkennen van mensen. De vrouw vraagt: “Waar is de hond?”, die al een poos in de buurt van hun wagen rondloopt. Het koppel zet aan en de hond die nog even tegen mijn benen aanschurkt, loopt achter de auto aan.

Terwijl de auto langzaam uit mijn gezichtsveld verdwijnt, vraag ik me af wat de route is die het koppel zal volgen. Ze hebben me in het kort gesprek dat we hadden ook gezegd dat ze het akkerland waar ze met hun wagen langsrijden al jaren bewerken. De zon breekt voor het eerst door de grijze wolkenmassa. De voorbode van een zonnige maar toch nog koude zomerdag. Op mijn wandelweg komt een man me tegemoet gereden op een uit de kluiten gewassen quad. Zijn twee honden flankeren hem met hun snoeten heerlijk in de wind. De man heb ik al vaak tegengekomen en ik vermoed dat hij de opzichter is van de velden. Ik begroet hem met mijn hand en wandel verder in de richting van een oud zitbankje waar ik altijd even ga zitten om naar het landschap te kijken en naar de geluiden van natuur en mens te luisteren. Al wandelend is me duidelijk geworden dat ik de oudere vrouw aan het stuurwiel van de wagen enkele weken geleden heb ontmoet tijdens de kerkdienst die ik met De Liefde en een vriend die op bezoek was, bijwoonde. We spraken nadien met haar. De volgende keer dat ik haar ontmoet zal ik dat zeker tegen haar zeggen.

Aangekomen aan het bankje, dat beschut ligt tussen een dubbele rij hoog opgeschoten heggen, laat ik mijn fototoestel altijd een minuut lang als videocamera fungeren om het beeld dat te zien is vanop het zitbankje te registreren. Al maandenlang beneemt hoog opgeschoten koolzaad het zicht op de uitgestrekt vallei. De camera staat dan ook laag. Plots hoor ik vlakbij, achter de heggen, de motor van een wagen starten. Na wat manoeuvreren komt de auto met het oudere koppel opnieuw aanrijden. Ze stoppen aan het zitbankje vanwaar ik intussen ben opgestaan. De man draait opnieuw het raampje van het autoportier open. Ik begroet het koppel weer. “Een mooi uitzicht, niet?” vraagt de man, de vraag zelf beantwoordend. “Ja, zeker”, antwoord ik, “nu de zon weer tevoorschijn komt.” Verontschuldigend vraag ik aan de vrouw of het kan dat ik haar enkele weken geleden heb gesproken in de kerk van Teigh. “Ja, dat klopt”, zegt ze. “En ik zei net tegen mijn man, dat we jou ontmoet hadden in de kerk.” Ik lach en neem mijn muts af. “Nu weet ik het zeker”, zegt ze geamuseerd als ze mijn rosrode haar ziet. “Wat fijn om u weer te ontmoeten”, zeg ik lachend. “We bewerken die land al een aantal generaties”, weet de man te zeggen. “Vroeger wandelden we altijd deze kant op, maar dat lukt niet meer”, zegt de vrouw. “Dus nemen George en ik nu de auto.” Ze aarzelt even: “En ik ben Audrey. Hoe is jouw naam?” “Aangenaam”, antwoord ik, “ik ben Estelle”.

Het zitbankje in februari 2019
Het zitbankje in november 2018

De afgelopen negen maanden dat ik hier wandel – ik ontdekte het zitbankje al tijdens mijn eerste voettocht – vraag ik me af wat het verhaal is van het zitbankje. Het staat er wat scheef bij, maar een persoon zoals ik kan het nog wel dragen. En vast nog wel veel meer. Op het zitvlak zijn nog de inkepingen van een tekening en ik vermoed de naam Thomas te zien. Vast en zeker de voornaam van iemand die hier al sinds lang komt en al jaren van dit uitzicht wil genieten. “Zit het bankje nog goed?” vraagt de vrouw. “Ja hoor, het is nog behoorlijk stevig”, bevestig ik en vraag meteen: “Kent u het verhaal van het zitbankje?” De man lacht en de vrouw vertelt met een twinkeling in haar ogen: “Dat bankje heeft George gemaakt en is opgedragen aan Thomas, de naam van het laatste paard dat we lang hebben gehad.” “Mysterie opgelost”, zeg ik opgelucht. “Wat aardig dat ik na zoveel maanden rondvragen weet hoe het zit met dat bankje.” “Je geduld wordt beloond”, zegt de man. Het gesprek gaat nog verder (dat is voor een andere keer), maar ik wil toch nog één ding weten. “Kent u de man die hier altijd rondrijdt met zijn twee honden?” De man zegt meteen: “Dat is onze kleinzoon.” “Hmm… ik zou hem graag eens fotograferen met zijn honden, maar ik heb het nog niet durven vragen”, moet ik toegeven. Hij zit er nogal ruig uit met een forse baard. Dat heb ik dus mis. “Je kan het hem gewoon vragen”, weet de vrouw te vertellen. “Hij is best aardig.”

Please follow and like:
error